10/10/2026
𝐃𝐞𝐳𝐞𝐥𝐟𝐝𝐞 𝐩𝐚𝐭𝐢𝐞𝐧𝐭, 𝐭𝐰𝐞𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐬𝐜𝐡𝐢𝐥𝐥𝐞𝐧𝐝𝐞 𝐛𝐫𝐢𝐥𝐥𝐞𝐧
Een kind dat door de mond ademt, snurkt, een smalle bovenkaak heeft en een kort tongriempje. Wie ziet dat kind? Vaak de tandarts én de kno-arts. En regelmatig komen we tot een andere conclusie.
Als tandarts kijk ik naar groei en vorm. Ik zie een gotisch verhemelte, een tong die laag in de mond ligt, kruisbeten en tanden die geen ruimte hebben. Voor mij is mondademhaling niet alleen een symptoom, maar ook een factor die de ontwikkeling van het gezicht en de kaken mee kan sturen. Een kaakverbreding (bij kinderen met een gewone expansieapparatuur, bij volwassenen bijvoorbeeld met MARPE) vergroot niet alleen de bovenkaak, maar ook de bodem van de neusholte. Studies laten zien dat de neusweerstand daarbij kan afnemen.
De kno-arts kijkt vooral naar de luchtweg zelf. Zijn er vergrote amandelen of neusamandelen, een scheef neustussenschot, gezwollen neusschelpen of allergie? Bij kinderen met obstructieve slaapapneu is het verwijderen van (neus)amandelen nog altijd de eerste stap, en dat is terecht.
Bij het tongriempje lopen de meningen het verst uiteen. In de tandheelkunde en myofunctionele therapie wordt een te kort tongriempje steeds vaker gezien als oorzaak van een lage tongligging. Veel kno-artsen zijn terughoudender, omdat het wetenschappelijk bewijs buiten borstvoedingsproblemen nog beperkt is. Eerlijk gezegd vind ik die voorzichtigheid gezond. Niet ieder kort tongriempje hoeft geknipt te worden, en zonder goede tongtraining heeft knippen bij grotere kinderen en volwassenen weinig zin.